GROOT ROTTERDAMS ATELIER ONDERZOEK
CONCLUSIES
De zoektocht naar een betaalbare, passende en stabiele werkruimte is voor veel Rotterdamse creatieven nog steeds dagelijkse realiteit. Van deze hele steekproef is 45,5% van de respondenten op dit moment op zoek naar een creatieve werkruimte. Bijna de helft van deze groep heeft al een werkruimte, maar moet opnieuw zoeken omdat die tijdelijk, ongeschikt, te duur is of op korte termijn verdwijnt. Hierdoor blijft de verhuisfrequentie onder creatieven extreem hoog.
Een opvallende constante sinds 2020 is dat 40% van de creatieven overweegt de stad te verlaten wanneer zij geen passende, betaalbare werkruimte kunnen vinden. Die vertrekintentie is niet incidenteel, maar structureel en vormt een serieuze bedreiging voor het creatieve fundament van Rotterdam.
Makers verwachten geen luxe; zij weten dat deze tijd met hoge vastgoedprijzen concessies en flexibiliteit vraagt. Zij zoeken voortdurend naar manieren om hun praktijk overeind te houden, maar deze veerkracht heeft grenzen. Hoeveel rek zit er nog in de groep creatieven voordat zij de stad verlaten? De afstand tussen wat creatieven nodig hebben, namelijk betaalbaarheid, nabijheid, stabiliteit en geschiktheid van ruimte enerzijds en de huidige realiteit anderzijds zorgt voor urgentie.
Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat Rotterdam wél over bouwstenen beschikt voor verbetering: een groeiend netwerk van alternatieve aanbieders, sterke creatieve gemeenschappen en een momentum in de stad om werkruimte als structureel vraagstuk te erkennen. Maar de resultaten maken ook duidelijk dat er nog belangrijke hiaten zijn: het aanbod wordt ervaren als te schaars, te duur en onvoldoende passend. Tijdelijkheid is de norm geworden en 65% van de creatieven werkt buiten het SKAR- stelsel, waardoor een groot deel van de creatieve beroepspraktijk buiten gemeentelijke ondersteuning en monitoring valt.
Deze conclusie duidt de bevindingen in relatie tot de situatie van creatieve werkruimtes in Rotterdam: welke patronen zichtbaar worden en waar de structurele kwetsbaarheden liggen, en creatieven zelf kansen zien. Daarmee vormt het de basis voor de aanbevelingen die volgen.
Kwaliteit en kwantiteit van huidige werkruimtes
Het percentage respondenten dat momenteel over een creatieve werkruimte beschikt (74%, n=490) is vergelijkbaar met de bevindingen van dit onderzoek uit 2020 (70%; n=369), echter verschilt de verdeling van de typen creatieve werkruimtes onderling. De meest ingrijpende veranderingen doen zich voor in het percentage SKAR werkruimtes, dat in de steekproef is gestegen van 21,9% in 2020 naar 35,3% in 2024, wat erop neerkomt dat op dit moment 1 op de 3 respondenten met een creatieve werkruimte huurt via de SKAR.
De overige, maar ook grootste groep creatieven, regelt hun werkruimte nog altijd buiten de SKAR om. De grootste groep hierbinnen heeft een ruimte via een aanbieder die werkruimtes verhuren als verdienmodel (particuliere commerciële verhuurders 19%, anti-kraak 11%). Binnen deze groep is het aandeel leegstandsbeheer het sterkst afgenomen ten opzichte van 2020 (van 21% naar 11% van het totaal).
Type werkruimtes
Wat betreft tevredenheid per beheervorm kan worden gesteld dat iedere vorm zijn eigen voor- en nadelen kent. De uiteenlopende waarderingsscores op grootte, betaalbaarheid, ligging, veiligheid en sfeer schieten vaak uit op voor de hand liggende aspecten. Zo scoort thuiswerken erg hoog op ligging en betaalbaarheid, maar laag op sfeer en uitwisseling.
Bij het vergelijken van de verschillende beheersmodellen laat het onderzoek maar één significant verschil zien: de sfeer scoort onder broedplaatsen significant hoger dan ruimte van commerciële/particuliere verhuurders, anti-kraak en aan huis.
De creatieven noemen de sfeer als de belangrijkste positieve factor die van invloed is op de kwalitatieve ontwikkeling van hun werk. Deze uitkomst benadrukt het belang van een sociale en collectieve dimensie van het kunstenaarschap. De werkomgeving heeft dus niet enkel een fysieke, maar ook een sociale functie. Een ruimte zonder collegiale interactie kan de productiviteit en het welzijn van creatieven juist ondermijnen. En omgekeerd, een goede sfeer en uitwisseling kunnen de kwaliteit van de professionele ontwikkeling versterken. Dit gegeven vraagt om beleidsmatige aandacht voor de sociale kwaliteiten van werkruimtes, zoals sfeer, communityvorming en mogelijkheden tot ontmoeting. Hoe dit er (qua ruimtegebruik) in de praktijk uitziet en hoe dat vanuit beheer de juiste vorm en inhoud kan krijgen, vraagt om verder onderzoek.
Behoeftes binnen de groep creatieven
Dit onderzoek laat zien dat ‘één type werkruimte’ nooit voor alle creatieven passend kan zijn. Disciplines, levensfasen, inkomensposities en werkvormen verschillen te veel, wat Griffioens (2024) oproep tot pluriformiteit in het aanbod ondersteunt. En zelfs binnen disciplines kunnen er enorme verschillen in behoeftes bestaan, afhankelijk van bijvoorbeeld de grootte van het werk. Ruimtes kunnen creatieven dus mentaal en fysiek beperken, maar ook bekrachtigen. De zoektocht naar een passende werkruimte is voor veel creatieven een structureel en voortdurend proces dat zelfs doorgaat onder creatieven met werkruimte.
Een opvallend patroon is de dalende ambitie in wensen en eisen ten aanzien van werkruimtes. Sommige kenmerken van ruimte kunnen door creatieven zelf worden aangepast, maar andere behoeften zijn groter dan dat. Waar creatieven in 2020 nog droomden van permanente, ruimere en duurzamere faciliteiten, zeggen ze nu tevreden te zijn met een kleinere ruimte voor een periode van één tot drie jaar.
Door meerdere resultaten naast elkaar te leggen blijkt dat niet de behoeften zijn veranderd, maar dat de verwachtingen zijn aangepast aan de huidige situatie en de druk van de woning- en vastgoedmarkt. Dit verschil is ook zichtbaar tussen zoekenden mét en zonder werkruimte. Wie al ruimte heeft, zoekt vooral een eigen plek, die groter en langdurig is (≥10 jaar, 49%), terwijl zoekenden zonder werkruimte zich sterker richten op delen en flexibiliteit. Zoekenden met werkruimte stellen dus hogere eisen dan degenen zonder werkruimte. Zij hebben waarschijnlijk een duidelijker beeld van wat zij nodig hebben. De groep zonder werkruimte bevindt zich in een meer precaire positie en accepteert lagere normen, wellicht uit noodzaak.
Uit de cijfers blijkt in het algemeen wel een grote bereidheid tot concessies. 57,4% zou een kleinere ruimte accepteren dan oorspronkelijk gewenst, 69,6% zou bereid zijn om het gedeelde gebruik van hun werkruimte te vergroten. Creatieven zien dit als een noodzakelijke oplossing in de omgang met de schaarste aan ruimte en betaalbaarheid.
65% van de respondenten ziet onderhuur tijdens afwezigheid als een kans om werkruimtes efficiënter te gebruiken. Maar alleen weinigen zijn bereid hun eigen ruimte daadwerkelijk te delen via onderhuur (16,6%). Kortom, men begrijpt het probleem, maar velen zijn onder de huidige condities niet bereid hun ruimte te delen.
Er is dus potentieel voor collectieve oplossingen als deze structureel worden gefaciliteerd met duidelijke juridische kaders, afspraken en gedeelde infrastructuren. Maar de wanhoop onder zoekenden maakt duidelijk dat meer aanbod alleen het probleem niet volledig zal oplossen zolang betaalbaarheid, zelfs binnen gesubsidieerde structuren, de grootste barrière blijft voor toegang tot werkruimte.
Betaalbaarheid als harde grens
Een werkruimte is feitelijk dure werkkleding: een benodigdheid om het werk te kunnen doen. Een buitenstaander denkt wellicht dat het zonder ook wel kan, maar - net als bij andere professies - is het cruciaal voor het leveren van kwaliteit, het welzijn van de maker en een professionele uitstraling.
De deelnemers aan dit onderzoek geven aan dat het een grote uitdaging is om van kunst te kunnen leven. Voor degenen die het lukt, blijft het vaak een onzekere fase. Voor creatieven betekent betaalbaarheid dat zij de (huur)kosten kunnen betalen uit hun (neven)inkomsten. Veel creatieven hebben daarom een bijbaan of teren op spaargeld om hun werkruimte en levensonderhoud te bekostigen. Toch leven velen op of rond het bestaansminimum. Dit sluit aan bij recent onderzoek waaruit blijkt dat beeldend kunstenaars, die een grote groep binnen dit onderzoek zijn, gemiddeld rond de €19.000 per jaar verdienen (HTH Research & Berenschot, 2025).
Daarmee wordt een dieper liggend punt zichtbaar: De creatieve praktijk valt onder “non-standard work” (de Graaf-Zijl et al., 2018, p. 172) en mist zekerheden die in andere sectoren vanzelfsprekend zijn. Er is geen voorspelbare carrièreladder waarin het inkomen meegroeit met ervaring, wat ook uit dit onderzoek blijkt. 65% van de respondenten is het oneens met de stelling dat creatieven na vier jaar meer financiële draagkracht hebben. Veel creatieven leven - ongeacht starter of ervaren - blijvend rond het bestaansminimum. Een gegarandeerd betaalbare werkruimte die aansluit bij deze lage inkomens is daarom cruciaal voor hun professionaliteit én mentaal welzijn.
De tevredenheid over betaalbaarheid van (alle) werkruimtes is sinds 2020 significant gedaald. Recente, plotselinge stijgingen van huur-, gas- en servicekosten hebben gezorgd voor een forse prijsstijging. De gemiddelde huurprijs die creatieven betalen voor (hun aandeel in) een werkplek is gestegen van €150-300 in 2020 naar €251-400 nu.
Dat is gemiddeld hoger dan wat de grootste groep zoekende aangeeft maximaal te kunnen betalen: 74% van de zoekenden gaf ≤€300 per maand als plafond aan. Het huidige aanbod wordt daarmee door 65,7% van de zoekenden simpelweg als te duur ervaren. Slechts 10% van de zoekenden geeft aan meer te kunnen betalen als compromis voor het vinden van ruimte die past binnen hun wensen.
Tot slot, in de discussie over betaalbaarheid naar creatieve werkruimtes moet de woonsituatie van de maker niet vergeten worden. Een goedkopere (huur)woning maakt een iets duurdere werkruimte mogelijk en omgekeerd. Hieruit blijkt ook dat creatieven die al decennia in de stad wonen vaak bereid zijn meer te betalen voor een werkruimte, omdat zij nog de lage prijzen betalen voor hun (huur)woning, terwijl nieuwkomers met veel hogere kosten te maken krijgen voor hun woonsituatie. Dit kan leiden tot een steeds grotere tweedeling tussen reeds gevestigde en nieuw (te vestigen) creatieven die een hogere instapprijs moeten betalen.
Tijdelijkheid als norm, onzekerheid als probleem
De resultaten over tijdelijkheid laten zien dat onzekerheid over de duur van gebruik van werkruimte een structureel kenmerk vormt van het creatieve werkruimte- en vestigingsklimaat in Rotterdam. Van de creatieven die momenteel een werkruimte hebben, geeft 58% aan een permanente werkplek te hebben en 33,8% een tijdelijke. Opvallend is echter dat zelfs binnen de groep met een zogenoemde ‘permanente’ werkruimte 30,3% niet weet hoe lang zij er mogen blijven. Ook dit is tijdelijkheid, of dat nu op korte of lange termijn is. Het “niet weten” zorgt vaak voor onzekerheid.
Tijdens de groepsgesprekken wordt duidelijk dat tijdelijkheid vaak een noodgedwongen concessie is voor een lagere huurprijs. Tegelijkertijd wordt een permanente werkruimte door vrijwel iedereen gezien als het ideaal: vanwege de rust, stabiliteit, experimenteerruimte, focus en de mogelijkheid om een duurzaam klantenbestand op te bouwen. In de praktijk blijkt dat veel creatieven hier niet aan toekomen.
Dit komt doordat de mobiliteit onder Rotterdamse creatieven zeer hoog is. 52% van de respondenten moest in de afgelopen vijf jaar minstens één keer van werkruimte verhuizen. De belangrijkste reden voor verhuizing is sloop of renovatie van het pand (35,6%), wat de directe gevolgen laat zien van een stedelijk beleid dat in hoge mate leunt op tijdelijk vastgoed. Daarnaast gaf een aanzienlijk deel aan te zijn verhuisd omdat hun ruimte niet (meer) voldeed aan hun professionele of praktische behoeften. Daarmee wordt verhuizen niet alleen een ruimtelijk probleem, maar ook een professioneel risico. Het onderbreekt werkprocessen, remt ontwikkeling en vergroot de kwetsbaarheid van creatieven die een precair bestaan kennen.
De gevolgen zijn groot: verhuizen brengt hoge kosten en forse logistieke problemen met zich mee, vooral bij zware apparatuur, ovens, materialen of grote kunstwerken. Daarbovenop veroorzaakt de voortdurende dreiging van vertrek mentale druk. Deze onzekerheid belemmert niet alleen de artistieke ontwikkeling, maar leidt ook tot een gebrek aan investering en verantwoordelijkheid, zowel bij huurders als bij verhuurders.
Uit de enquête blijkt ook dat er al onzekerheid ontstaat bij relatief korte termijnen, volgens de respondenten gemiddeld tot 2,56 jaar. Onder creatieven met een tijdelijke werkruimte weet 46,4% niet hoelang zij mogen blijven. Dit onderstreept dat het probleem niet zozeer zit in kortdurende contracten op zichzelf, maar in het ontbreken van perspectief en duidelijke einddata. Tijdelijkheid is dus niet enkel een logistiek begrip, maar vooral een ervaring van onzekerheid, gevormd door de mate van transparantie en voorspelbaarheid.
Tijdelijkheid heeft daarnaast directe gevolgen voor de stedelijke culturele infrastructuur. Kleine organisaties verdwijnen, samenwerkingen worden telkens afgebroken en opnieuw opgebouwd en creatieven raken steeds afhankelijker van grotere, vaak duurdere instellingen. Voor programmeurs, organisatoren en performers leidt dit tot hogere kosten, meer bureaucratie (vergunningen) en minder continuïteit richting publiek en opdrachtgevers. Daarmee blijkt tijdelijkheid niet goedkoper, maar juist op de lange termijn financieel, organisatorisch én maatschappelijk duurder.
Binding en spreiding
Tot slot werd de verbinding met de stad, lokale betrokkenheid en zichtbaarheid onderzocht. De drie meest genoemde aspecten die creatieven aan Rotterdam binden zijn sociale netwerken, de artistieke community in de stad en het culturele en creatieve aanbod van Rotterdam. Zoals genoemd geldt voor beide steekproeven (2020 en 2024) dat voor 40% van de respondenten het gebrek aan werkruimte een reden zou kunnen zijn om de stad te verlaten, wat tijdens de kwalitatieve sessies (2025) werd bevestigd. Daarmee vormt het gebrek aan betaalbare werkruimte een bedreiging voor de stad, maar ook voor de wijken.
Creatieve werkruimtes zorgen voor een wisselwerking tussen hun gebruikers en de buurt. Voor de gebruikers van de werkruimte biedt de wijk waarin hun werkplek ligt inspiratie, wordt er gebouwd aan gemeenschapsvorming dichtbij en fungeert de nabije omgeving als potentiële markt voor verkoop en opdrachten. Creatieven zoeken vaak op eigen initiatief contact met een publiek rondom hun werkruimte. Door middel van (raam)tentoonstellingen, performances, open ateliers, educatieve of sociale initiatieven en evenementen, brengen ze op een laagdrempelige manier kunst buiten de muren van een museum. Voor de buurt betekent dit meer dan culturele aankleding. Het draagt bij aan levendigheid, ontmoeting en een gedeelde lokale identiteit. Creatieve activiteiten kunnen sociale cohesie versterken, wijken aantrekkelijker maken en publieke ruimte activeren (Bishop, 2012). Tegelijkertijd versterkt de lokale inbedding de artistieke groei en economische bestaanszekerheid van creatieven. Samen vormt dit een essentieel fundament voor een duurzaam, divers en veerkrachtig creatief ecosysteem in de stad.
Veel deelnemers zijn betrokken bij (of initiatiefnemer van) organisaties, stichtingen, collectieven, activiteiten of evenementen die culturele participatie bevorderen. De bereidheid om aan wijkprojecten bij te dragen lijkt in de meeste wijken aanwezig, mogelijk zelfs meer dan dit onderzoek laat zien. Toch zien de deelnemers meer kansen in levendige stadswijken dan in de ‘periferie’, waar volgens hen de reuring ontbreekt die nodig is voor inspiratie, publiek en verkoop.
De nabijheid van een werkruimte ten opzichte van de woonlocatie komt in veel gesprekken naar voren als een belangrijke factor voor een succesvolle artistieke praktijk. Tegelijkertijd is de tevredenheid over de ligging van werkruimtes sinds 2020 significant gedaald (2020 M=4,11; 2024 M=3,86). In wijken waar creatieven vaak zowel wonen als werken (zoals Charlois, Delfshaven, Feijenoord, Hillegersberg-Schiebroek en Noord) heeft de locatie een positieve invloed op de praktijk. In het Centrum wonen creatieven minder vaak zelf, maar wordt de ligging alsnog als gunstig ervaren, waarschijnlijk vanwege de culturele infrastructuur, interactie met publiek en centrale ligging in de stad. Creatieven die dicht bij hun werkruimte wonen geven aan hun praktijk beter te kunnen combineren met ander werk en hun privéleven en daardoor consistenter te kunnen bouwen aan hun professionele ontwikkeling. Dit onderstreept dat nabijheid bijdraagt aan binding met de wijk, zichtbaarheid, opdrachten en stabiliteit in de artistieke praktijk.
88% van de respondenten woont in de volgende zes stadswijken: Delfshaven, Noord, Centrum, Charlois, Feijenoord en Kralingen-Crooswijk. In verhouding werkt het grootste deel van deze groep in de buurt waar ze wonen, op het Centrum, Noord en Kralingen- Crooswijk na. 13% van de respondenten woont in andere gebieden van Rotterdam. Op basis daarvan en de kwalitatieve sessies kan gesteld worden dat woonruimtes voor kunstenaars zich buiten het stadscentrum verplaatsen, maar dat tegelijkertijd werkruimtes aan de randen van de stad voor het grootste deel van de respondenten geen aantrekkelijke optie zijn. Dit is met uitzondering van degenen met specifieke werkzaamheden en behoeftes, zoals creatieven die werken met grote of zware materialen.
Het valt op dat het Centrum samen met Overschie de grootste verhouding werkruimtes met tijdelijke contracten kent. Op wijkniveau blijkt dat het verdwijnen van een (deel) van betaalbare werkruimtes tot een sneeuwbaleffect kan leiden: minder betaalbaar aanbod van werkruimtes en minder culturele en sociale initiatieven maakt het minder aantrekkelijk voor (nieuwe) creatieven zich hier te (blijven) vestigen. Daar tegenover staat dat de kans om tweeledig te vestigen in de wijk (qua wonen en werkruimte) bijdraagt aan de zelfredzaamheid en professionele ontwikkeling van de maker en de (onderlinge) (ver)binding met de wijk.